• Les 57

        -  

        Lerina nortale

    Gratis rit

     

    1 –      

    Atta neri, lelyala et ampanollo, quétar:

    Twee mannen zeggen, terwijl ze uit een gebouw komen:

    2 –     

    Horro, lipta ar ualve harya cauma.

    Oei, het regent en we hebben geen paraplu.

    3 –          

    Ento quete i hyana: Ma nanlelyealve talainen hya lunca paityalanen?

    Toen zei de andere: Gaan we te voet of met een huurwagen (betalende wagen) terug?

    4 –        

    Tá cénante nildo hautala ten, cárala lenge tenna.

    Dan zien ze een voor hen stoppende vriend, naar hen wuiven (een gebaar naar hen makend).

    5 –     

    I nildo quete: Tulúvanyel mardenna.

    De vriend zegt: Ik zal jullie naar huis brengen.

    6 –            

    I luncasse quétas vórea: Ulca námo ni namne engwen ya uan acárië.

    In de wagen spreekt hij verder: Een slechte rechter veroordeelde me voor een zaak die ik niet gedaan heb.

    7 –          

    Yúyo: I hruquen! Ar mana né i engwe la cárala?

    Beiden: De slechterik! En wat was de zaak die ge niet gedaan hebt (niet gedane zaak)?

    8 –      

    Anen cámaya an uan apaitië quottanyar.

    Ik was schuldig want ik had mijn rekeningen niet betaald.

    9 –       

    Qui, lestala, cenilde ita lipta hya fauta,

    Als jullie, terwijl jullie buitenkomen, zien dat het regent of sneeuwt,

    10 –    

    polilde lelya mardenna yúrala,

    dan kunnen jullie al lopend naar huis gaan,

    11 –        

    hya, íre samilde alma, uo mapalde lunca paityala.

    of, wanneer jullie geluk hebben, samen een huurwagen nemen.

     

    Opmerkingen:

    • De werkwoordsvormen op – -la zijn we al een aantal keer tegengekomen, het zijn de actieve deelwoorden van het werkwoord.
    • In Quenya gebruiken we ze op twee manieren:

    - net als in het Nederlands kunt ge ze als adjectief gebruiken:   hína quétala "een sprekend kind",
    - of als werkwoord van een bijzin die we in dat geval met "terwijl" of "al" vertalen:      i elda tulle menna lálala "de elf kwam al lachend naar ons" of "de elf kwam naar ons terwijl hij lachte".

    • Actieve deelwoorden hebben wel enkele bijzonderheden:

    - ze komen als we ze als adjectief gebruiken altijd na het substantief,
    - de nominatief meervoud is identiek aan de nominatief enkelvoud   híni quétala "sprekende kinderen" (de andere naamvallen verschillen echter wel, bvb.   hína quétalan,    híni quétalain),
    - de ontkenning bestaat uit la voor het actief deelwoord    atan la lálala "een niet lachende mens".

    • Ter herinnering: vermits het actief deelwoord na het substantief geplaatst wordt, krijgt het net als de aanwijzende voornaamwoorden (, , ... sina, tana, ...) de naamvalsuitgangen.
    • De werkwoorden - lipta- "regenen" en fauca- "sneeuwen" zijn onpersoonlijk.
    • De korte vorm van de persoonsuitgangen voor de tweede persoon is – -l (zowel in het enkelvoud als het meervoud). De lange vormen zijn wel verschillend: - -lye "gij", - -lde "jullie".
  • Les 57 oefening

    

    1.     

    2.      

    3.       

    4.    

    5.         

    6.      

    7.      

    8.        

    9.       

    10.           


    1. I námo name i pilur.

    2. Engwe pole náve mane hya ulca.

    3. Quenten i námon: Uan carne engwe tana.

    4. Áva quete "hruquen" atanen!

    5. I atani hirir vora ita quottantar nar acca halle.

    6. Atan yana ua apaitië quottarya martamo.

    7. Ma cennel orta i naico sanceve?

    8. Heri tana né lai melda, ananta ipíliës miril.

    9. Umin cámaya, uan ipílië more rocco sina.

    10. Uan polle hire i tië ar tá uo lendelve i cundonna.


    1. De rechter veroordeelt de dieven.

    2. Een zaak kan goed of slecht zijn.

    3. Ik zei tegen de rechter: Ik heb die zaak niet gedaan.

    4. Zeg niet "slechterik" tegen een mens.

    5. De mensen vinden altijd dat hun rekeningen te hoog zijn.

    6. Die man toen, had zijn herbergrekening niet betaald.

    7. Zaagt ge de zondaar kwaad rechtstaan?

    8. Die dame was erg lief, toch had ze een juweel gestolen.

    9. Ik ben niet schuldig, ik heb dit zwarte paard niet gestolen.

    10. Ik kon de weg niet vinden en dus zijn we samen naar de stadswacht gegaan.

  • Les 58

        -  

         Huine i morniësse

    Een schim in het duister

     

    1 –        

    I aica nixesse ar i morniësse lómio hrívesse,

    In de scherpe vrieskou en in het duister van een winternacht,

    2 –    

    nanlelya orna nér mardenna.

    gaat een gehaaste man terug naar huis.

    3 –      

    Pires lenwa mallenna ú tiéno vantiën.

    Hij draait af naar een smalle straat zonder voetpad (wandelweg).

    4 –      

    Neasse tanaxe huine et morna vincallo

    Plots verschijnt een schim uit een donkere hoek

    5 –    

    ya sen tape tiërya.

    die hem zijn weg verspert.

    6 –    

    Ar lunga óma lamya:

    En een zware stem weerklinkt:

    7 –       

    A anta sáme quenen ya avánië ilqua…

    Geef hulp aan iemand die alles kwijt is…

    8 –      

    Ua harya culustar, nurro i nér,

    Ik heb geen geld, mompelt de man,

    9 –    

    ar mínas voriën tiërya.

    en hij plant om zijn weg verder te zetten.

    10 –    

    …hequa pitya macil sina,

    …behalve dit kleine zwaard,

    11 –    

    telya i nulla huine.

    besluit de geheimzinnige schim.

     

    Opmerkingen:

    De substantieven op – -e kunnen we in een aantal groepen indelen:

    • de groep op – -,
    • de groep met meervoud op – -er: zie les 53,
    • de zogenaamde i-stammen: deze woorden vormen al hun naamvallen zowel in het enkelvoud als het meervoud door de eind- -i in een tussen-- -i- te veranderen,
    • de overige woorden hebben wel een -- -i- in het meervoud maar niet in het enkelvoud.

    In de woordenlijsten herkennen we het verschil tussen deze laatste twee groepen omdat bij de i-stammen de tweede stam vermeld is en bij de andere niet, bvb.: , - lóme, lómi-.

    Merk op dat er ook heel wat adjectieven tot de i-stammen behoren, bvb. , - carne, carni- "rood" of , - more, mori- "zwart". Dit is van belang om correct de verbogen vormen te kennen, bvb.   coa carnillo "naar een rood huis". En ook als we het adjectief zelfstandig gebruiken:       hamma ma hamil? hamin i morisse "op welke stoel zit ge? ik zit op de zwarte".