• Les 1

       -  

    1 –   

    Orome ná nilda.

    Orome is vriendelijk.

    2 –   

    Ná, nas nilda.

    Ja, hij is vriendelijk.

    3 –   

    Rían ume nilda.

    Rían is niet vriendelijk.

    4 –   

    Ma nilda Rían?

    Is Rían vriendelijk?

    5 –   

    Ui, umis nilda.

    Nee, ze is niet vriendelijk.

    6 –    

    I cirya ná pitya.

    Het schip is klein.

    7 –   

    Ma pitya i cirya?

    Is het schip klein?

    8 –   

    Ná, nas pitya.

    Ja, het is klein.

     

    Opmerkingen:

    • De vorm  nas betekent zowel "hij is", "zij is" als "het is". Als er een ander onderwerp is dan gebruiken we  . Dit geldt algemeen: alle werkwoorden hebben twee basisvormen eentje met de uitgang –s, dit staat voor "hij", "zij" of "het". En een basisvorm zonder – s die we gebruiken als er een ander onderwerp is.
    • Het werkwoord dat "niet zijn" betekent, heeft twee soortgelijke vormen  umis en  ume.
    • Het woord  betekent zowel "is" als "ja".
    • Het woordje ma aan het begin van een zin geeft aan de de zin een ja/nee-vraag bevat. In dat geval laten we het woordje  meestal weg. En het teken is het vraagteken.
  • Les 2

       -  

    1 –     

    Nan atan ar nan ettelea.

    Ik ben een mens en ik ben een vreemdeling.

    2 –    

    Nal elda, umil ettelea.

    Gij zijt een elf, gij zijt geen vreemdeling.

    3 –     

    Ma atan hya elda Orome?

    Is Orome een mens of een elf?

    4 –     

    Orome ume atan, nas elda.

    Orome is geen mens, hij is een elf.

    5 –      

    Rían, ma nal atan hya elda?

    Rían, zijt gij een mens of een elf?

    6 –       

    Nan elda, Orome ná elda, nalme eldar.

    Ik ben een elf, Orome is een elf, wij zijn elfen.

    7 –     

    Orome ar Rían nar eldar.

    Orome en Rían zijn elfen.

    8 –       

    Orome ná nér ar Rían ná nís.

    Orome is een man en Rían is een vrouw.

     

    Opmerkingen:

    • De uitgang – n bij een werkwoord betekent "ik", dus  nan is "ik ben" en  umin "ik ben niet".
    • Voor "gij" hebben we de soortgelijke uitgang –l, dit geeft dus nal  "gij zijt" en  umil "gij zijt niet".
    • De uitgang – lme is één van de uitgangen voor "wij", we komen er in volgende les op terug.
    • Quenya kent geen onbepaald lidwoord "een", het woordje  elda vertalen we dus door "een elf".
    • Het woordje hya "of" spreken we uit als chja.

     

    Belangrijke woorden:

       
    nan, umin, nal, umil.
    ik ben, ik ben niet, ge zijt, ge zijt niet.

     

  • Les 3

       -  

          Nalve nildor
    Wij zijn vrienden


    1 –     

    Essenya ná Orome, nan elda.

    Mijn naam is Orome, ik ben een elf.

    2 –     

    Ma nar nildor i eldar ar i atani?

    Zijn de elfen en de mensen vrienden?

    3 –     

    Ná, i eldar ar i atani nar nildor.

    Ja, de elfen en de mensen zijn vrienden.

    4 –       

    Atta eldar, nér ar nís, nar nildonyar.

    Twee elfen, een man en een vrouw, zijn mijn vrienden.

    5 –    

    I nér same nís.

    De man heeft een vrouw.

    6 –     

    I nér ar i nís samir hína.

    De man en de vrouw hebben een kind.

    7 –         

    Tuor ná atan, Indil ná atan, i hína ná atan.

    Tuor is een mens, Indil is een mens, het kind is een mens.

    8 –         

    I nelde nar atani, Tuor ar Indil nar esser atanion.

    De drie zijn mensen, Tuor en Indil zijn mensennamen.

    9 –      

    Tuor, ma samil nís ar híni?

    Tuor, hebt ge een vrouw en kinderen?

    10 –       

    Ná, samin nís, ar nissenya same hína.

    Ja, ik heb een vrouw, en mijn vrouw heeft een kind.

    11 –      

    Nalme nelde: i atar, i amil ar hína.

    We zijn met drie: de vader, de moeder en een kind.


    Opmerkingen:

    • Zoals ge ondertussen wel gemerkt hebt, bestaan er twee uitgangen voor "wij": – -lme en – -lve. Ge gebruikt – -lme als de toehoorder niet tot het groepje behoort waarover ge spreekt en – -lve als de toehoorder er wel bijhoort.
    • De uitgang –  -r gebruiken bij een werkwoord als het onderwerp uit meer dan één persoon bestaat. Het is ook een van de mogelijke meervoudsuitgangen voor substantieven.
    • Het woordje "mijn" is in Quenya geen afzonderlijk woord, we plakken het achteraan het woord waar het bijhoort, zo is  ciryanya dus "mijn schip". Let op: door deze uitgang verandert meestal de klemtoon.
    • Het leesteken komt met onze komma overeen, met onze dubbelpunt en puntkomma.

     

    Belangrijke woorden:

           
    nalme, umilme, nalve, umilve, atani nar, atani umir.
    we zijn, we zijn niet, we zijn, we zijn niet, mensen zijn, mensen zijn niet.